Rouwverwerking – ik dacht dat ik het alleen moest kunnen (2/5)

ROUWVERWERKING, IK DACHT DAT IK HET ALLEEN MOEST KUNNEN

Vanaf toen had ik eigenlijk niet echt een papa meer.

Ja, eentje die ermee instemde om van Schiedam (Zuid-Holland, naast Rotterdam) naar Schaijk (piepklein dorp in Noord-Brabant). Mijn moeders familie woonde allemaal daar, en mama had het natuurlijk pokkezwaar met de zorg voor papa en mij. Dus we gingen die kant op. We gingen van een heerlijk huis naar alles gelijkvloers, omdat papa zijn gezichtsveld deels kwijt was door die KUT medicijnen. Alles om het papa en mama zo makkelijk mogelijk te maken. Eenmaal daar bestonden zijn dagen uit hele dagen lezen (kranten, boeken, alles). Hij tuinierde wat, zat buiten, hielp waar hij kon, deed huishouden, maar eigenlijk alles binnenshuis. Buiten kwam ‘ie haast niet. Die medicatie was naar zijn hoofd gestegen, en ik was aan het puberen, dus wij hadden 60% van de tijd strijd met elkaar, over alles. Daar zat mijn moeder dan tussen te scheidsrechteren. Werd ze ook hysterisch van, dus mijn moeder raakte depressief en zat op een gegeven moment ook aan de medicatie en praatgroepen. Die kreeg ook een klap van alles met papa en moest praten. Daarbij was ik als puber, niet blij dat we naar een klein dorp waren verhuisd. Ik werd vooral geacht om er voor mama te zijn, en daarvoor was ik natuurlijk veel te jong. Enfin, daar werd niet bijster veel aandacht aan besteedt, want het was eenmaal zo.

Ik had wel eens serieuze gesprekken met papa, maar dan moest hij echt zijn moment hebben. Dan zat ‘ie op zijn praatstoel en was ‘ie niet te stoppen. Dan kon ‘ie nog door blijven praten, ook al liep ik naar mijn kamer. En dan waardeerde hij het ook niet als ik wegliep. Ook al moest ik even naar het toilet, dan sprak hij gewoon door. Als ik hem aan de praat had, moest ik blijven zitten, anders was mijn moment weg. Vaak had ‘ie ook enorm en ontzettend gelijk over zaken en dat kon ik niet altijd even goed hebben.

Jarenlang hebben we met de aftermath van zijn ziekte moeten dealen. Jarenlang had ik niet een papa die ik bij anderen wel zag. Het enige wat ik jarenlang heb gedaan, is hem verdedigen. Tegenover alles en iedereen, kom NIET aan mijn vader! Ik wist en voelde natuurlijk ook dat mijn vader er nooit echt was. Had ik vrienden over de vloer, vreesde ik voor wat hij zou zeggen. Papa had geen filter, als ‘ie iemand niet leuk vond, liet ‘ie dat door middel van sarcastische opmerkingen doorschemeren. Dan ging ik natuurlijk door de grond van schaamte, want dat wil je niet. Hij ging nergens mee naartoe, ook niet naar mijn propedeuse-uitreiking en mijn uiteindelijke bachelor-diploma uitreiking. Dat heb ik hem heel erg kwalijk genomen, maar papa zei dan dat ik niet moest zeuren. Als ik veel emotie toonde, werd het afgedaan als drama en moest ik me niet aanstellen.

Nu besef ik me pas dat ik door deze situaties bepaalde patronen en overtuigen heb ontwikkeld.

Mama moest 2 rollen vervullen, of vond dat ze dat moest/voelde zich schuldig tegenover mij dat haar man, mijn vader, hun dochter liet zitten. Ze vond waarschijnlijk dat zij daarvoor verantwoordelijk was, maar dat was ze niet. Over die precieze theorie werd natuurlijk niet gesproken, dus zij zette zich extra in en wilde daarvoor waardering. Ik vond het fijn dat mama er was, maar wilde gewoon papa. Mama werd daardoor verdrietig, daardoor voelde ik me weer rot, want had het idee en gevoel dat het door mij kwam. Dit werd ook vaak bevestigd, niemand vertelde mij dat het met haar te maken had, niet met mij. Zoiets is natuurlijk ondoenlijk. Een persoon kan niet de leegte opvullen van of voor een ander. Natuurlijk had ik deze paragraaf aan wijsheid destijds niet. Dit is echt iets van nu, 2020.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *