The Berlin Diaries – Over Osnabrück en Berlijn

THE BERLIN DIARIES - OVER OSNABRÜCK EN BERLIJN

Inmiddels zit ik alweer een week in mijn geliefde Berlijn. Vorige week zaterdag stapte ik om 10.51 uur in de trein en weg was ik. Niet wetende waar ik in terecht zou komen, of het allemaal wel leuk zou worden – ik zei nog: ‘Als het niks is, trein ik de volgende dag weer terug’.

Het is niet zo gek dat ik mijn Berlijn-ervaring qua emoties vergelijk met Osnabrück. De stad Osnabrück waar ik begin dit jaar naartoe vertrok om voor de gemeente te gaan werken. Nee, in Nederland viel totaal niets meer te halen voor mij op het moment dat ik solliciteerde (19 december 2013). Maar vanaf het moment dat ik hoorde dat ik een sollicitatie te pakken had (om en nabij 9 januari), ging er iets mis in mijn lichaam, of liever gezegd in mijn hoofd – en nee, niet op die manier – daar gaat het immers al jaren fout ;).

Ik kreeg de baan toegewezen en ik kan me echt niet meer herinneren dat ik heel erg blij ben geweest. Weet zelfs nog dat ik het niet eens tegen mijn vrienden durfde te zeggen. Terwijl ik – met een grote zwak voor de Duitse taal en eindelijk niet meer werkloos – juist een gat in de spreekwoordelijke lucht had moeten springen. Maar nee, niets van dit alles. In plaats daarvan werd ik ziek, niet voortdurend, maar sluipend. Ik kreeg duizeligheidsaanvallen, gevolgd door misselijkheid en ‘out of it-ness’. Doodeng en in Osnabrück werd het alleen maar erger. Daar was ik onzeker (mede doordat ik niet wist wanneer een aanval komen zou), totaal niet mezelf, niet op mijn plek, kreeg ik minstens een keer per week een aanval en uiteindelijk liep het zo uit de hand dat ik genoodzaakt was terug te keren naar huis, naar Haarlem.

Ik kan me nog heugen dat ik tegen mijn vriend en tegen een vriendin zei: ‘Ik weet nu wat ik wil: een Duitstalige functie in Nederland, ik wil niet meer weg’. Osnabrück was alles bij elkaar gewoon helemaal niks. Geen leuke, bruisende stad ook. Ik was er diep ongelukkig én alleen. Tot overmaat van ramp moest mijn arme kies er in mijn tweede werkweek uitgesneden worden (gevolg: een paar dagen uit de running en bultjes all over van de verdoving) en ben ik daar door een complete medische molen gegaan door mijn aanvallen. Overigens mijn complimenten voor het medische stelsel daar in Duitsland, potverdorie, wat hebben jullie me goed geholpen. Kun je van Nederland niet zeggen..

‘Wil je dit nog een keer?’

En toen stond Berlijn voor de deur. Wil je dit wel weer? Weet je nog wat er gebeurde in Osnabrück? Wat doe je met Luci? Wil je G wel weer achterlaten? Je zit daar weer helemaal alleen, hè? Wat nu als het niets is? Weet je wel wat je doet? – een greep uit de vragen die me om de oren vlogen. Gelukkig waren deze voornamelijk van mijn lieve moeder (die zich uiteraard zorgen maakte na mijn eerdere Duitse ervaring) en kreeg ik ook heel wat enthousiaste reacties. Tja, wie Sas kent, weet dat ze niets liever wilde dan naar Berlijn. Maar het moment was nooit goed.

Zoals ik hierboven al schreef: ik wist ook niet wat ik moest verwachten. Misschien zou het wel verschrikkelijk tegenvallen, maar daar wilde ik liever achter komen dan later te moeten zeggen: ‘ja ik had de kans om naar Berlijn te gaan, maar ik durfde niet’. Ik weet dat ik daar de rest van mijn leven spijt van had gehad. Het ging snel en een klein beetje onvoorbereid – ik stapte binnen een week de trein in en wist niet waar ik zou eindigen. Wel dat het in een studentenhuis zou zijn, pakweg 35 minuten met de tram uit het centrum. Ik wist niet hoe mijn huisgenoten zouden zijn, hoe het in realiteit zou zijn (de foto’s zagen er aardig uit), waar al het leuks te vinden is, waar ik boodschappen moest doen, of ik dit keer wél mijn weg kon vinden in de super.

Maar hallo, ik ging naar Berlijn!
Dat was genoeg voor mij en de rest zag ik wel.

Maar het is me allemaal hartstikke meegevallen. Het is natuurlijk zo dat ik een huis zit met Erasmus-studenten, wat betekent dat je alleen maar Engels spreekt, verschillende nationaliteiten om je heen hebt, je faciliteiten moet delen en je weer gekke dingen hebt als een wasruimte op de campus.

Maar ach, ik ben gewoon blij dat ik een ruimte heb gevonden. Zoals ik eerder schreef houdt ook iedereen van Luci en kan ik het met iedereen vinden. Mijn deur staat altijd open (in tegenstelling tot andere huizen waar ik heb gewoond) en ik ontloop geen mensen (dat deed ik vroeger wel, wilde ik liever niet praten). Na mijn laatste studentenbelevenis (Zuiderzeeweg, ugh) besloot ik dit nóóit meer te doen. Maar dit was nu eenmaal een gouden kans, een kamer voor deze periode voor deze prijs.

Plus dat je niet alleen zit – en dat is fijn. Ik denk dat deze tekst minder positief had geklonken als ik nu alleen had gewoond. Ik ken mezelf namelijk een beetje.

Verder voel ik me thuis in Berlijn, heb ik Luci bij me, kan ik mijn weg aardig vinden, word ik blij van de stad, doe ik graag boodschappen om gezond te koken, fiets ik graag (ik kan niet wachten tot ik mijn eigen heb, kan ik het fijn vinden met huisgenoten (die me overal mee naartoe vragen waardoor ik al het een en ander heb gezien), sta ik te PO-PE-LEN om een rondje sightseeing te doen. Doordat ik best een eindje uit het centrum zit voelt het soms niet alsof ik in het drukke, ‘echte’ Berlijn woon. Ik zit hier namelijk in Wohnheim Eichkamp aan Harbigstraße 14, te midden van het groen.

Je hoort hier niets, het is hartstikke groen (fijn voor Luus!) , op 10 minuten lopen heb je 2 tramstations en op 10 minuten fietsen een plein met supermarkten en het overige hoognodige. Ik heb echt enorme zin om naar Mitte te fietsen – met dit weer beleef ik geen plezier aan een tram – en om daar rond te rijden. Om Berlijn als een onofficiële inwoonster te beleven, niet als toerist.

Dit alles gezegd hebbende is Berlijn dus het tegenovergestelde van Osnabrück. Al denk ik wel dat het eind augustus heel anders gaat worden als alle studenten vertrekken en ik mijn intrek neem in een volgend pand. Misschien word ik dan wel diep ellendig, maar dat heb ik nog altijd zelf in de hand. Misschien wordt het ook wel nóg leuker! En mocht het zo zijn dat ik het niet meer trek, rijden er genoeg treinen richting Haarlem.

Voor nu geniet ik gewoon heel hard van het feit dat ik hier woon en moet ik mezelf nog af en toe knijpen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *